VERKLAART GOD GODSDIENST? – Over religieuze ervaring

De column van maandag, ‘Functionele religie’, ging over het verklaren van religie uit het nut dat ze heeft. Ik probeerde verder te kijken dan een uitleg vanuit de functie van godsdiensten. Waar ik aandacht voor vroeg, was de ogenschijnlijk nutteloze overproductie aan religieuze symboliek en betekenissen. Die overmaat blijkt uit de zeer diverse invulling en aankleding van religies. Met minder symbolische rijkdom in mythen en riten zouden de functies die aan religie worden toegeschreven ook wel vervuld kunnen worden. Als je religie wilt verklaren, moet je dus die enorme en nog steeds doorgroeiende bouwwerken van zingeving een plaats geven.

Ik kwam voor het verklaren van de startfase van een godsdienst uit bij een combi van symboliek, levensvragen en een marginale positie van de stichter ten opzichte van het machtscentrum. Die drie maken een nieuw zingevingspel mogelijk. Als macht zich vervolgens breed maakt, wordt aan die religie nieuw nut toegevoegd, zoals het versterken van een wij/zij-gevoel, van de interne hiërarchie, en van een samenlevingsmodel. Machthebbers denken trouwens nogal functioneel.

Dat was de strekking van die column. Jan Starreveld stelt in zijn reactie op die column maar meteen de hamvraag:

Bij het lezen denk ik steeds: er zijn toch onbenoembare gevoelens die mede mijn keuzes bepalen? Bij vrienden kom ik soms een “geestenwereld” tegen van “gene zijde” waar boodschappen worden doorgegeven die weer keuzes bepalen. Zou die ervaring/informatie er niet altijd al zijn geweest en voedsel gegeven hebben aan gelovigen die daardoor dingen gingen doen die niet direct voor de hand liggen en weerstand oproepen bij anderen? Ik heb er zelf geen antenne voor maar denk dat er toch zoiets moet zijn.

Correspondeert de geloofservaring met een God, of een geestenwereld? En als die dan ook bestaat, verklaart dat mede het verschijnsel religie? Gelovigen weten het antwoord.  ‘Mijn religie bestaat omdat God (of YHWH/Allah/etc.) bestaat, punt uit, zeur niet’. Gelovigen ervaren ‘onbenoembare gevoelens’, zoals ze ook zekerheden oogsten. Of die gevoelens en zekerheden functioneel zijn, daar ligt de doorsnee gelovige niet wakker van. En misschien ook wel niet van mijn verhalen over zingevingspelen. Dat er zo’n rijke verscheidenheid aan betekenisvorming is, leidt alleen twijfelende gelovigen tot de vraag of al die andere religies ook waar zijn. Meestal wordt die vraag genegeerd of aan theologen overgelaten.

Ik zeur toch nog even door.  Al die gelovigen zien hun stek doorgaans als de ware en enige. Ze doen dat omdat ze het goddelijke of de geestenwereld of wat dan ook letterlijk aan den lijve ervaren. Kan ik dan in mijn verklaring van religie, als algemeen menselijk verschijnsel, iets met hun ervaring? Wat is de verklarende waarde van de unieke bovenmenselijke werkelijkheid die zich volgens hen in hun leven manifesteert? Tegelijk wil ik de veelheid aan geloofsovertuigingen en praktijken een plaats geven.

Ik denk dat het nogal menselijk is om een extra dimensie in de werkelijkheid te ervaren. Mensen hebben enige moeite om te begrijpen wat ze meemaken, met henzelf (hun ‘zelf’), met anderen, met de werkelijkheid om hen heen. Hoewel mensen overbedeeld zijn als het gaat om het vermogen aan van alles betekenis toe te kennen, schieten ze hopeloos tekort om alles een plek te geven. Dat gevoelens hierboven ‘onbenoembaar’ heten, weerspiegelt dat tekort. Er zijn ook teveel verschijnselen die zich aan onze controle onttrekken. We begrijpen onszelf vaak niet, ervaren de natuur als mooi maar ook als bedreigend, en ondanks alle levensverlengende medische zorg is de dood onvermijdelijk. We weten niet altijd wat goed en kwaad is. We willen deel zijn en deel hebben, en toch staan we steeds apart, vooral nu het individu de maat is van alle dingen. Als er dan nog een voort durende economische crisis overheen komt, weten we nog minder waar we aan toe zijn.

Als mensen het gevoel kennen dat veel hen overstijgt, is het niet zo verwonderlijk dat ze, als ervaren betekenisgevers, iets bedenken of ervaren dat hen te boven gaat. Daar hebben ze namen aan gegeven. Die naam kan God zijn, of goden, of geesten, of een onpersoonlijke kracht, of zelfs iets dat zich niet benoemen laat. Wat je zo benoemt, of juist niet benoemt, wordt meteen enigszins hanteerbaar. Er valt zelfs mee te praten en te marchanderen. Hoe er benoemd en gepraat wordt, dat verschilt, maar de grondervaring is dezelfde. Het zo gevonden oriëntatiepunt gaat een eigen leven leiden, vooral als meer mensen erdoor geraakt worden. De godsdienststichter kan charisma hebben dat veel mensen aanspreekt. Dan groeit de manier van benoemen uiteindelijk uit tot een gevestigde religie. Eigen tijd en eigen achtergrond kleuren de invulling van de ervaring.

Strikt genomen laat deze verklaring van religie ruimte voor een goddelijke of geestelijke wereld die zich manifesteert. De stichter kan daar de boodschapper van zijn. Maar die wereld moet in zo’n verklaring van religie dan wel zo minimaal omschreven worden dat alle religies er een uitwerking van kunnen zijn.

Is daarmee een exclusieve en concrete invulling onderuit gehaald? Ik denk het niet. Zoals alle mensen hun eigen taal spreken, kun je in hun godsdienst de eigen tongval horen. Zolang mensen daarmee hun leven zin geven en de diepste levensvragen beantwoorden, moet je daar vooral niet aan afdoen. Ik gun iedereen zijn zingevingspel, ook mijzelf svp. Trouwens, ook zonder God speel je een zingevingspel met onbewezen vooronderstellingen.

Ik zou wel wat meer tolerantie willen. Maar dat is stof voor een andere column. Deze is al weer veel te lang geworden…

13-111013

NB reacties op columns worden in eerste instantie alleen door André Droogers gezien.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *