Poëzie

Een bloemlezing uit gedichten dit ik in de loop van de tijd schreef, spelend met woorden, tussen heavy en light verse (© André Droogers)

 

levensbeschouwelijke adviezen

hoed je voor de grammatica van de ervaringstaal
laat je niet tot uitdrukking brengen in klare woorden
mijd de indelingen
wantrouw de categorieën
koester het zachte maar
ga vóór den beginne
vergeet de tijd
stap buiten de ruimte
schuil tussen de regels
houd van halve woorden
blijf bij vermoeden

 

feest

geef acht, genoeg gewacht
beëindig het gesmacht
laat horen die trompetten!
waar blijft het retteketetten?
fluister het hard en schreeuw het zacht
het feest maakt met ons korte metten

dit feest is lang verwacht
we gaan de geest verzetten
de lijven los van alle wetten
en van de zwaartekracht
wat wij gaan doen is ongedacht
we gaan boeketten buiten zetten!

 

anker

bedrieglijk vertrouwen
op kabels en kaptein
alsof de zee voorspelbaar is
uiteindelijk vaste grond

aantrekkelijk vertrouwen
van kaap de goede hoop
op goede rede gaan
en provianderen

onmisbaar vertrouwen
van het dagelijkse soort
want waar blijf je
op de rand van risico?

is anker soms familie
van kruis en zwaard?
en ligt de redding buiten beeld?
is zegbaar nooit-niet te vertrouwen?

dan rest de zilte lucht
het pootjebaden in zout water
het zoute zuur
en daar dan maar mee leven

zo, zoetjes aan,
de grenzen verkennen
van wat lijkt tegengesteld,
maar daar dan aan voorbij

 

verstopt

verstopt in mijn diepste zelf
achter in een keldergewelf
bevindt zich een rare nis
die voor mij een raadsel is
de keuze is: uitzoeken wat daar gebeurt
of gewoon negéren, niet langer gezeurd
ik weet ook niet wat erger is
ik noem die nis mijn ergernis

 

Kwadraat van de cirkel

Beperking maakt mij bang:
de limit is de hemel
en lekker is een vinger lang.

Alleen is maar alleen,
mijzelf kan ik niet delen,
de maat is een bij een.

Ik wil twee hoeden dragen,
links schrijven zowel als rechts,
antwoord op alle vragen.

Zo stuit ik telkens op de grens
de kring van plaats en tijd,
en wens het universum mens,

een droomtijd van weleer en ooit,
een wereld van verlangen,
het land van zeg nooit nooit.

Soms lukt het me, heel even,
grenswachten te negeren,
het leven voluit te beleven.

Ik zing met beide longen,
een lied van kans en hoop,
de maatkring wordt bedwongen.

 

Balkonscène

Ik kwam de trein binnen
en zocht een plekje op het balkon
(kort stukje maar).

En ineens zit jij daar,
die elke nacht naast me ligt,
met je vertrouwde grijze koppie
en blauwgroene outfit,
genesteld in een hoekje,
huiselijk te gast bij NS,
een vertrouwd gezicht in
de anonieme wereld.

En pang weet ik dat
ik van je hou.

Jij veert op
en we raken elkaar,
al bijna veertig jaar samen,
als verse geliefden.

(Utrecht CS, 15.9.99, 12.33 uur)

 

collateral damage

ik zegt iets
en onvoorzien
laten mijn woorden
flarden los

projectielen
die ik onbezonnen
maar arrogante spreker
heb afgeschoten
veel zeggend
fluiten om de oren

zo communiceren
mensen

 

God

‘Over God wil ik zwijgen’,
zei Meister Eckhart.

Goed idee.
Dit was mijn bijdrage.
Full stop.
Dank voor uw aandacht.

————

Maar misschien mag poëzie?
Want dat is zwijgend proza.

Of zelfs dat niet?

————

Ik zoek een compromis dat niet bestaat,
de volmaakte paradox,
voorbij de schijnbaarste tegenstelling.

Ik ben passagier op het heen-en-weer-bootje
van verbeelden naar ontbeelden,
van weten naar ontkennen,
van ontkennen naar herkennen.

Met als veerbaas God,
voorbij de paradox,
veilig kader om alles heen,
die wij niet weten te typeren,
het antwoord op onmogelijke vragen,
alles wat wij niet zijn,
maar wel zouden willen zijn.

God als wat ons niet lukt,
ons – knappe knoeiers.

————

En dat dan misschien herkennen
in uiterst zeldzame mensen,
hoop tegen beter weten in.

 

Hoofd en hart

(avondmaalslied of zegenlied)

Bij alles wat mij bezighoudt
is mijn hart warm, is mijn hoofd koud?
Is mijn hart koud, is mijn hoofd warm?
Ben ik nu rijk of eigenlijk straatarm?

Met lege handen sta ik nu,
en breng mijn hoofd en hart bij u.
Leg dan uw hand maar op mijn hoofd.
Mijn hart heeft daar altijd al in geloofd.

Zo kan ik rustig verder gaan,
gezegend krijg ik van u ruim baan.
Met hoofd en hart en brood en wijn
kan ik weer op mijn beurt ten zegen zijn.

(kan gezongen worden op de wijs van ‘De trouw en goedheid van de Heer’)

 

Docent in grote glazen collegezaal

In een aquarium van gigamaat
hangen een paar honderd jonge kleurrijke vissen
roerloos in het water.
Nu ja, roerloos…
Ze wapperen geregeld met hun staarten
en bewegen geluidloos hun monden.
Nu ja, geluidloos…
Ze verdelen hun aandacht tussen elkaar
en een grijze vis tegenover hen
die uitlegt hoe de vissenwereld in elkaar steekt.
Wat snoeken, wat goudvissen,
haaien en potvissen,
haringen in een ton,
en natuurlijk ook de bakvissen.
Kortom, hij vertelt wat vissen tot vissen maakt
en legt uit waarom de vis duur wordt betaald.
En verder maakt hij hun van alles wijs
over de grote droge wereld buiten het aquarium.
Samenvattend herhaalt hij een oude wijsheid:
Pas op het droge ontdekt de vis
wat het is om vis te zijn.

 

Kerst 2012

voor Noah en Lev

De os lag met zijn kop op de grond,
hij wist niet of hij het goed verstond.
Wat had de baas ook al weer gezegd?
‘Hier heb ik een matrasje neergelegd’.
Een matrasje in de stal?
Ja hoor, daar had je het al,
een man, en een vrouw met een dikke buik,
mensen in mijn stal, dat is wat ik ruik.
Vreemd, wat gaat er gebeuren?
Komen ze hier slapen, zonder te zeuren?
Het werd nog vreemder, luister maar,
want dit verhaal is nog lang niet klaar.
Luister goed met allebei je oren:
Midden in de nacht is een kindje geboren!
En daarna kwam er kraambezoek.
Zo stond het later in een boek.
Eerst kwamen herders die hun schaapjes hadden laten gaan,
en daarna kwamen er drie koningen aan.
Die brachten ook cadeautjes mee.
De os loeide steeds: ohee ohee!

Met dat baby’tje gaat het verhaal nog door,
maar dat vertel ik wel een ander keertje, hoor.
Eenmaal groot had hij een duidelijke stem,
en daarom hebben de mensen het nog steeds over hem.
Maar als je dat wilt horen,
moet je nog even wachten.
Dan heb je intussen ook grotere oren,
en misschien wel andere gedachten.
Ohee, ohee, owee.

 

Laatste rondzendbrief

(na vijf jaar Brazilië)

Al maanden terug van weg geweest,
nog altijd weg
van elders thuis te zijn.
Tussen twee stoelen,
steeds nog wat verschoven,
dood punt, pas-op-de-plaats,
verdoving van oost west thuis best,
maar met de twijfel:
thuis?

Natuurlijk, lieve mensen binnen handbereik,
dat wel. Visites. Bloemen.
Een zoen op de wang.
Verjaardag ouderwets.
Een Hollands binnenhuis,
van het gemak voorzien.
Maar blijft het knagen,
balans van ’t eind van ’t jaar:
bestaat echt thuis?

Want zitten op het netvlies
christuskinderen tussen de seizoenen,
geworden tussen overal en nergens,
niet echt thuis, waar dan ook,
zovelen tussen ooit en nooit,
geen grond onder de voeten,
steeds heimwee: recht, en eindelijk!

Voorlopig dus maar van de nood
een deugd, een roeping:
ontworteld blijven en onrustig,
alleen houvast aan tochtgenoten,
uittocht,
open eind

 

Langbroekerwetering

Langbroekerwetering
sluipweg door de natuur
ik sluip weg naar de natuur

buitens voor mensen
die binnen zijn
en toch buiten willen zijn

rechte watergang
speels begeleid door Kromme Rijn
en de echo’s van Achterberg

 

levenslustig liedje

verwoorden is vermoorden
zeggen ontzeggen
verbeelding je verbeelden
kennis is ontwennen
staan is ontgaan
kijken ontwijken
zien is ontzien
verlichten verdichten
scheppen evolueren

alleen spelen
blijft spelen

 

Openheid

Openheid is mooi,
zei de man,
maar of het kan?
Het is zeulen en beulen, meneer.
En wat krijg je er dan van?
Open rotzooi en scheve smoelen,
plus nog wat oud en nieuw zeer.
Ach, het gaat per slot om het algemeen gevoelen
Openheid? Ik hoor er graag over praten.
Geslotenheid mag ook niet baten.
Het is maar net wat de mensen bedoelen.

Ik hoorde hem aan,
en moest toen gaan,
het dagelijks zorgen wachtte.
Zo koester ik nu de gedachte
dat je minstens open moet staan
voor het onverwachte.

Wie was het die daar lachte?

 

Soms ineens

Soms kruipt het leven
van huwen naar gruwen
en scheiden en lijden.

Soms sluipt het leven
van aaien naar bierkaaien
en pijn en chagrijn.

Soms sleept het leven zich voort
van geluk naar stuk
en er niet meer bij willen zijn.

Totdat ineens
de zon zich meldt,
de juiste vraag wordt gesteld,

dat ene gebaar wordt gemaakt
dat je raakt
en je vertelt:

je bent er,
en eens of oneens,
ik ben zeer op je gesteld.

 

Troost

Troost gaat bij ons per bakkie.
Ook vinden wij haar schraal.
We houden meestal ons gemakkie,
troost hoort niet echt bij onze dagelijkse taal.

Troost is een schaarsig goed,
ze is beperkt voorhanden,
ze werkt niet snel op ons gemoed,
ze vergt van ons net iets te nauwe banden.

Troost zit vaak achter trots verborgen,
daar heeft het huisarrest.
Op zich baart dat ons weinig zorgen,
wij vinden het meestal zo wel best.

Maar soms verlaten we ons paadje,
en zien de noodzaak in
van eventjes een troostrijk praatje.
Dat geeft aan ieders leven iets meer zin.

Een hele troost is dat dan weer
voor wie ten einde raad
en tegen alle zeer
van ons een beetje troost verkrijgen gaat.

Moraal van dit verhaal:
Wij corrigeren soms ons spiegelbeeld.
Uiteindelijk zijn we niet zo schraal,
zo worden wij nog onverwacht geheeld.

 

CYCLUS DAGDELEN

 

Wakker worden!

Ogen open doen
Ochtendzoen
Plas
Ochtendjas
Bril
Ochtendpil
Müsli, fruit, beschuit
Ochtendkrantje uit

ochtendplas

pil

ochtendjas

bril

 

Wakker blijven!

O dat lome slome uur,
tussen twee en drie,
als ik naar buiten tuur
en daar niksnietsniente zie.

Het is weer tijd voor slaperigheid,
mijn uur van dovend vuur.
Ik wil de luiken van mijn ogen sluiten.
Ik ga mijzelf aan middagrust te buiten.

Maar slaat de klok dan drie,
ontwaakt in mij een prille energie,
en loopt het tegen vieren,
ben ik zo vlijtig als de mieren.

Maar morgen is het weer dezelfde situatie,
het is mijn dagelijkse blackout-frustratie.

 

late avond

de dag doordacht
verslag uitgebracht

wat ging anders dan verwacht
waar zat mijn zwakte waar mijn kracht

plannetje voor morgen bedacht
het nieuws van elf uur afgewacht

en dan de sluis in naar de nacht
het is alweer volbracht

rust dus voorlopig zacht
de wekker staat op zeven

 

Nacht

Lig je dromerig op één oor,
gaat je onderbewustzijn doodleuk door.
Alsof het niet hoeft te rusten,
inspecteert het je lasten en je lusten.
Lig je bij te komen in je bed,
word je nog op je nummer gezet.

Als een B-filmregisseur
klopt het op je slaapkamerdeur.
Laat in wilde galop
nachtmerries rennen door je kop.
Zo laat het onderbewustzijn je betalen
voor je dagelijkse falen.

Het kuist je dag,
haalt de bezem door je ongewenst gedrag.
En toch weet het je te verleiden
tot dingen die je overdag moet mijden.
Het onderbewustzijn is inconsequent,
en ook nog eens incompetent.

We hadden het altijd al mis.
Nachtrust is contradictio in terminis.
De dag is er om bij te komen
van al die nachtelijke dromen.
Want zie je de zon weer ondergaan,
zijn al je echte dromen naar de maan.

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *