HET PRINSJE EN DE APPELFLAPPEN – Een sprookje

‘Ik wil dat het altijd december blijft’, riep het kroonprinsje op Oudejaarsdag, en hij stampte met zijn voetjes op de paleisvloer. ‘December is een coole maand. Twee keer cadeautjes. Dan appelflappen, want die vind ik veel lekkerder dan die stomme oliebollen. En dan lekker knallen met vuurwerk. Januari is shit.’

Iedereen vond het prinsje een verwend krengetje, maar niemand durfde hem op zijn nummer te zetten. Zelfs zijn vader, de koning, wist met hem geen raad. Die riep daarom zijn ministers in spoedberaad bij elkaar en vroeg: ‘Wat doen we hier aan?’.

De minister van buitenlandse zaken mocht het eerst iets zeggen, want hij had tenslotte het grootste ambtsgebied. Hij stelde voor het prinsje op wereldreis te sturen, zodat hij kon ontdekken dat elke cultuur weer anders met de decembermaand om gaat. En dat soms januari de echte feestmaand is.

De minister van binnenlandse zaken, die altijd al bekend stond als visionair, kwam met een andere oplossing: ‘Vanavond om 12 uur zetten we alle klokken stil. We heffen de tijd op. Probleem opgelost.’

Daarop zag de minister van defensie zijn kans schoon en bood aan dat het leger in een bliksemactie nog even onder alle klokken in het land tijdbommen zou plaatsen. Dat zou pas mooi vuurwerk geven!

Een andere suggestie kwam van de minister van economische zaken. Hij stelde voor de januarimaand om te dopen in ‘tweede decembermaand’. Er was immers ook een Tweede Kerstdag. ‘Als je het anders noemt, dan wordt het meteen ook iets anders’, zei hij. Hij had dat zinnetje gehoord op een managementtraining en goed in zijn oren geknoopt.

De minister van godsdienstzaken greep de gelegenheid aan voor een moment van bezinning. ‘We moeten de jonge prins duidelijk maken dat in het licht van de eeuwigheid de tijd zeer betrekkelijk is’. Hij had er bijna ‘Tot in de eeuwen der eeuwen, amen’ aan toegevoegd, maar kon zich nog net inhouden. Hij zag zichzelf als ruimdenkend en wilde zijn geseculariseerde collega’s niet schofferen.

De minister van landbouw was door de vorige spreker op een idee gebracht en begon een betoog over de eeuwige wederkeer van de seizoenen en hoe heilzaam de afwisseling was. Hij stelde voor dat het prinsje in januari stage zou lopen bij een boer. ‘Dan kan hij met die stampvoetjes lekker in de modder staan. Dat zal hem leren.’

De minister van algemene zaken sloot de discussie met het voorstel een beleidscommissie in te stellen om alle suggesties te bespreken. Iedereen tikte instemmend met zijn ringvinger tegen zijn glaasje koningsbitter. Dat klonk als een mooi slotakkoord.

De koning dacht daar echter anders over. ‘Ik vind dit zeven keer niks’, zei hij. ‘Jullie zitten hier als de verzamelde macht, en jullie kunnen niet eens omgaan met een stampvoetend kereltje.‘ Alle ministers dachten: ‘Jij wel soms?’. Maar dat zei niemand hardop.

Toen vond de hofnar dat het zijn beurt was. Hij had al een hele tijd zitten wippen op het puntje van zijn krukje, aan de voeten van de koning. Die ministers, met hun serieuze hoofden en ernstige adviezen, zagen de lol van het geval niet in, vond hij. Het was tijd voor een ander geluid. Hij maakte een koprol om de aandacht te trekken, schraapte zijn keel, en riep: ‘Ik ga met de kroonprins appelflappen en oliebollen bakken!’. De koning en de ministers trokken hun wenkbrauwen op, maar de regel was dat de hofnar altijd de ruimte kreeg, voor wat voor gekkigheid dan ook, want daarvoor werd hij immers betaald. Anders viel er nooit wat te lachen.

De hofnar nam het kroonprinsje mee naar de paleiskeuken. Het prinsje wilde eerst nog tegenstribbelen, maar omdat hij dol was op appelflappen, ging hij toch maar mee. Hij vond het meteen al geruststellend dat de hofnar eerst de appelflappen ging bakken. Het prinsje moest die in een groot vierkant leggen. Hij wilde er eentje proberen, maar daar stak de hofnar een stokje voor. Eerst moesten de oliebollen worden gebakken, en dat waren er nogal wat. Op het vierkant met appelflappen liet de hofnar het prinsje een pyramide van oliebollen bouwen. Na een paar uur hard werken lag er een kunstige berg oliebollen, boven op de laag appelflappen.

Toen vroeg de hofnar aan het prinsje: ‘Lust je een appelflap?’. ‘Tuurlijk,’ zei  het prinsje, ‘daarom ben ik hier’. ‘Begin dan maar met de oliebollen,’ zei de hofnar. Het prinsje dacht aan de appelflappen en begon moedig te eten, zij het met steeds langere tanden. Toen hij het topje van de pyramide had weg gegeten, kreeg hij verschrikkelijke pijn in zijn buik. Er was nog geen appelflap in zicht.

Het prinsje voelde zich zwaar in de maling genomen. ‘Ik wil mijn appelflap!’ riep hij boos, en hij stampvoette nog weer eens. De hofnar zei alleen maar: ‘Januari is er ook nog’. Het prinsje keek beteuterd en viel helemaal stil. Maar even later glimlachte hij zuinigjes. Daarna danste hij lichtvoetig de paleiskeuken uit. De hofnar grijnsde.

28-030114
NB reacties op columns worden in eerste instantie alleen door André Droogers gezien.

2 reacties op “HET PRINSJE EN DE APPELFLAPPEN – Een sprookje

  1. Misschien had het prinsje alle oliebollen even kunnen uitdelen aan “het volk”, ouders, personeel of wie ook maar? Dan had hij snel zijn appelflappen gehad.

  2. Er zit een prachtige tegenstrijdigheid in het verhaal. Van wat de hofnar doet, kun je zeggen: “doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg”. Maar hij was nu juist in dienst genomen om niet gewoon te doen. Dus wat is nu gewoon? Wat de hofnar doet? Of is dat juist ongewoon? Mooie puzzel voor de januarimaand.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *