DOEN ALSOF – Over de almachtige God die faalt

Zondagmorgen. Doopsgezind Zeist. Cees den Heyer, nieuwtestamenticus. Leerdienst. Thema: ‘Dat koninkrijk van U … wordt dat nog wat?’. Gerard Reve was ernstig speels als het over geloofszaken ging. Onder zijn vraag ligt de kritiek op christendom en kerk, dat verwachtingen niet opgaan. Reve had de hoop nog niet opgegeven en vroeg opheldering.

Zijn gedicht, uit ‘Nader tot u’, heeft als titel ‘Graf te Blauwhuis, voor buurvrouw H. te G.’. In dat graf ligt een jonge jongen die in de oorlog is omgekomen.

‘Hij rende weg, maar ontkwam niet,
en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud.’

Reden genoeg om God aan te spreken:

‘Gij, die koning zijt, dit en dat, wat niet al,
ja ja, kom er eens om,

Gij weet waarom het is, ik niet.
Dat Koninkrijk van U, weet u wel, wordt dat nog wat?’

Den Heyer draagt vijf korte teksten aan, van de evangelisten Marcus, Lucas en Johannes, en uit het evangelie van Thomas. Hij legt uit dat de Bijbeltekst niet met één stem spreekt, maar dat tegengestelde stemmen hoorbaar zijn, duidelijk met elkaar in discussie. Sommige tijdgenoten van Jezus dachten de komst van dat koninkrijk nog mee te maken, want dat had hij zelf gezegd. Anderen twijfelden. Reves vraag blijkt al actueel in de eerste eeuw van de geschiedenis van het christendom.

In zijn bespreking van de teksten verwijst Den Heyer naar Albert Schweitzer, die stelde dat Jezus zich met de aankondiging van de spoedige komst van het koninkrijk van God vergist heeft. Uit de geschiedenis van de godsdiensten herinner ik me wel meer voorbeelden van falende profeten, dus op zich is dit niets bijzonders. Maar voor de meeste christenen is het wel even schrikken om te horen dat degene die zij zien als de zoon van God zich zou hebben vergist. Het is uiteindelijk natuurlijk een kwestie van welke vooronderstellingen je koestert en vervolgens welke teksten je selecteert.

Ik vraag me wel af welke machtsverhoudingen ervoor gezorgd hebben dat mensen ervan overtuigd zijn geraakt dat zo’n tekst als die van de Bijbel (of die van de Koran) eenstemmig en consistent is. Die eenstemmigheid is een kenmerk dat ook aan machthebbers wordt toegeschreven. Die moeten leiding geven en dus helder en krachtig zijn in hun beleid. De visie op de Bijbeltekst (of Korantekst) lijkt daarmee besmet geraakt. Machtsverhoudingen die op zich niet religieus zijn, beïnvloeden de religieuze boodschap. God/Allah, die gezien wordt als de bron van de tekst, gaat lijken op die machthebbers. Zo ontstaat de almachtige God, en dus het probleem van zijn falen.

Den Heyer zei er nog iets bij. Hij noemde naar aanleiding van Schweitzer de mogelijkheid dat gelovigen zouden kunnen doen alsof het rijk van God er al is, ook al weten ze wel beter. Kijk, dan denk ik direct: spel! In mijn definitie van spel zou dat mooi passen: ‘het menselijk vermogen met meer werkelijkheden tegelijk om te gaan’. Dat laat ruimte voor het samengaan van ‘is’ en ‘zal’. Het zet Reves vraag in een heel ander licht. Misschien zou hij er met zijn speelse insteek om hebben kunnen glimlachen. Spel maakt een eind aan de krampachtigheid  van het moeizaam volgehouden ja tegenover een kritisch en overduidelijk nee. Er komt ruimte voor hoop tegen beter weten in.

Bijkomend voordeel: het is onzin om met alle machtsmiddelen en veel geweld dat rijk van God te forceren. Doopsgezinden zijn wat dat betreft al in de zestiende eeuw bekeerd tot geweldloosheid, na een uiterst onprettige kennismaking met het overdadige gebruik van geweld.

Die zondagochtend in het kerkje van Doopsgezind Zeist scheen de zon zo uitbundig naar binnen dat de zonwering tijdens het gesprek gesloten moest worden. Tegelijk was een oude kwestie in een heel nieuw en ander licht komen te staan.

10-300913

NB reacties op columns worden in eerste instantie alleen door André Droogers gezien.

Één reactie op “DOEN ALSOF – Over de almachtige God die faalt

  1. Beste André,
    Deze laatste column nav je ontmoeting met Cees den Heyer heb ik zeer geboeid gelezen. Zoals ik eerder al zei, jouw boek over zingeving en spel heeft mij zeer geholpen om een aantal puzzelstukjes op hun plaats te leggen. De vraag die nu voor mij zeer relevant is, en die nav deze column weer bij mij naar boven komt, is: hoe komt het toch dat het christendom het pleit heeft gewonnen? Het gebruikelijke antwoord is: door de medewerking van de keizer. Maar dat geldt pas vanaf 313. Voor die tijd al was de beslissing in het voordeel van de christenen gevallen. Hoe komt dat? Was het christendom gewoon de beste? Maar dan mis ik toch iets. Het christendom heeft veel overgenomen van andere religies, vond ook aansluiting, maar hoe hebben ze die andere religies kunnen ‘overrulen’? Ik weet het nog steeds niet.
    Hartelijke groet,
    Eduard

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *