ANTROPO-THEOLOGIE – Van tweesporenbeleid naar de monorail

Ben je altijd bezig geweest met culturele antropologie, besef je ineens dat je theologie zit te bedrijven. Is dat schrikken? Of valt er een nieuw spoor te verkennen?

Antropologen en theologen lijken net zo veel afstand van elkaar te houden als de rails van het spoor. Ieder gaat zijn eigen gang, onderweg naar meer kennis. Voor de één van mensen en hun cultuur, voor de ander van mensen en hun God. Die twee rails sporen zelfs nauwelijks als het specifiek om religie gaat, al liggen daar wel wat bielzen tussen de rails. Maar meestal gaat ieder zijn eigen gang.

Als antropologen religieus gedrag bestuderen, doen ze als regel geen uitspraken over het al dan niet bestaan van een goddelijke werkelijkheid. Antropologen doen veldwerk om wetenschappelijke kennis te vergaren en daar valt het godsbestaan buiten. Ze bedienen zich bij hun onderzoek van participerende observatie en open interviews.

Theologen zien zichzelf doorgaans ook als wetenschappers, maar hebben wel iets meer uit te leggen. Hun handicap is dat een belangrijk studieobject, de eigen God, zich aan observatie en interviews onttrekt. Dat belet hen echter meestal niet om in hun wetenschappelijk werk het bestaan van de eigen God te vooronderstellen.

In mijn onderzoek van religie heb ik me bij de antropologische leest gehouden. Maar net als de meeste theologen heb ik een geloofsovertuiging en ben ik actief in kerkelijk verband. Bijgevolg heb ik me regelmatig afgevraagd hoe ik tegelijk een godsdienstantropoloog kon zijn èn een gelovige.

Dat leidde er toe dat ik toch iets verder wilde kijken dan de meeste religietheorieën. Die herleiden religie tot functies die op zich niet religieus zijn: saamhorigheid, overleven, compensatie, onderdrukking, enz. Maar hoe verklaar je dan de overdadige verbeelding en betekenisgeving in de religies? Functioneel gezien zou een simpel ritueeltje genoeg moeten zijn. En waarom verschillen religies met overeenkomstige functies zo sterk?

Die overweging leidde ertoe dat ik verbeelding ging zien als het gereedschap van het aftastend vermoeden. Mensen kunnen vanuit eigen ervaringen God – of goden, of geesten – denken en verbeelden. Dat het bestaan van het goddelijke niet wetenschappelijk aan te tonen valt of uit functies te verklaren is, vinden de meeste gelovigen geen issue. Zij spelen hun eigen zingevingspel.

Ik concludeer dat het goddelijke bestaat zolang gelovigen – mijzelf inbegrepen – er betekenis aan geven. Ieder doet dat binnen de eigen religie, gebruik makend van dat menselijke vermogen tot uitbundige verbeelding en ernstig spelen. Machtsmechanismen brengen weliswaar orde aan in de overdaad aan verbeelding en zo ontstaat verscheidenheid. Maar als de leiding de verbeelding te veel beknot, ontstaat verzet, revival, hervorming, en eventueel een nieuwe religie.

Toen ik dat op een rijtje had, bleek ik mij in het niemandsland tussen antropologie en theologie te bevinden. Tussen de twee rails had ik een biels blootgelegd. Maar intussen had ik wel de antropologische regel overtreden dat je over het bestaan van het goddelijke geen uitspraken doet. Daardoor kwam ik dichter bij de theologie en bij mijn eigen overtuiging als gelovige. Maar ook theologisch zondigde ik, want ik overtrad de regel ‘alleen onze God is de ware’.

Vanuit deze spagaat schreef ik als godsdienstantropoloog een nogal theologisch boekje over God 3.0. Ik buig daarin de rail van de antropologie en die van de theologie naar elkaar toe. Crasht de trein nu? Ik denk dat de monorail van de anthropo-theologie een veelbelovende voortzetting van de reis biedt. De antropologen en theologen die dit spoor willen volgen, kunnen hun beroepscodes nog eens kritisch bekijken. Doen ze dat, dan blijken ze nota bene in dezelfde trein te zitten!

48-230514
NB In verband met spam worden reacties op columns in eerste instantie alleen door André Droogers gezien.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *